|
Reisverslag van W. Voet
Naar ik vermoed, zal dit gebied bij de meeste natuurvrienden minder bekend zijn dan de centrale Alpen, daarom hier eerst wat algemeenheden. Het landschap is er woest de bergen zijn er steil en kaal. Met 3297m is de Cima Argentera Sud de hoogste top in het gebied. Dit jaar hebben wij, ik en mijn vrouw Augusta samen met onze vrienden, Max.en Ine, de vakantie doorgebracht in het Argenteramassief in de Alpi-Marittime (Italië). De Franse Alpes Maritimes en de Italiaanse Alpi-Marittime vormen een en hetzelfde gebergte, door de landsgrens in tweeën gesneden, het Franse deel luistert naar de naam Park Nationaal du Mercatour. Beide parken werken zeer intensief samen. Vlakbij ligt de Mont Gelas 3143m met de zuidelijkste gletsjer van de Alpen. Het massief bestaat uit gneis en graniet, verder gesteente omgeven door kalk en dolomiet. Als gevolg van de aanwezigheid van de verschillende steensoorten, kent het gebied een grote verscheidenheid aan landschappen, die je in de verschillende dalen kunt leren kennen.
Het klimaat is er alpien, met warme zomers en sneeuwrijke winters, je zit hier dan ook op ongeveer 80 km boven de Middellandse zee. Dat bevordert de aanwezigheid van een unieke flora en fauna. De larikssparren en vooral in de lagere gebieden de beukenbossen, komen er in grote aantallen voor. Ze worden bewoond door vossen en dassen, eekhoorns en hermelijnen. Wanneer je hoger komt, daar waar het bos overgaat in alpenweiden, treft men de typische alpenflora en fauna aan. Zoals marmotten gemzen steenbokken en hoog in de lucht arenden, valken en lammergieren. Sinds kort komt de wolf, die sinds eind 1880 was verdwenen, weer voor in het gebied, hun aantal wordt momenteel geschat op ongeveer 30 stuks.
Koning Vittorio Emanuele ll di Savoia gebruikte de Alpi Marittime als jachtreservaat, net zoals het meer bekendere Gran Paradiso. Herinneringen aan de jagende koning kom je regelmatig tegen, soms loop je over speciaal aangelegde ezelpadjes, soms kom je gebouwen tegen die speciaal voor de feestjes van de koning werden gebouwd. Op Valasco, een prachtig grasrijk plateau op 1800m hoogte, kun je een uniek voorbeeld van Vittorio Emanuele ll casa di caccia zien, dat doet denken aan een fort uit een western. Het gebouw was geheel vervallen, maar men is nu volop bezig met de restauratie.
Het is een prachtig gebied goed ontsloten door een groot aantal wandelpaden o, a, de G. T. A. (de Italiaanse variant op de Franse G. R.) Je kunt er kiezen tussen meerdaagse trektochten met overnachtingen in acht bemande berghutten (rifugio's) of de vijf bivakhutten (bivacco's) eten, brander, slaapzak etc meenemen, of eendaagse tochten vanuit de camping of het hotel. Verder treft men er op de rand van het park het mooie dorp Entracque aan (= entre aqua tussen het water). Drie rivieren vloeien hier samen, het is een centraal uitgaanspunt voor tochten in de belangrijkste dalen van het park, er is ook een mooie gezinscamping.
In het Gesso della Valetta ligt Terme di Valdieri waar zich terminale baden bevinden, met water dat een temperatuur heeft van 70 graden Celsius en afkomstig uit de diepte van het gebergte en rijk is aan mineralen. Er is ook nog een kleine camping in het dorpje St. Anna di Valdieri (direct bij het dorp met winkel) en in San Giacomo di Entracque(onze camping) prachtig gelegen aan het riviertje Gesso del Barra. Een droom voor de natuurliefhebber, op tien kilometer van Entracque, het is veruit de mooiste plek om te kamperen; ligging in het Vallo Gesso della Barra op 1213m hoogte er is ook een eenvoudig hotel en een Gite d' étape.
Trektocht
S. Giacomo - Rif Pagari - Biv R.Moncalieri - R. Giacomo .
Van de vele tochten die men er kan maken, is die naar de Rifugio Pagari. Met de dag daarop een traverse onder de Mont Gelas door en a passant het Bivacco R. Moncalieri meenemend, een van de mooiste in zijn soort.
Een voordeel is dat je rechtstreeks vanaf de camping op het pad komt dat naar de hut leidt, zodat men zich niet met een vervoermiddel hoeft te verplaatsen en dat is toch mooi meegenomen. Het hoogteverschil is vrij behoorlijk, namelijk van 1213m(camping) naar 2650m(hut), we moeten dus een hoogteverschil van 1425m overbruggen, de tijd die er voor staat is 5uur. Verder heeft de hut nog iets bijzonder, hij is opgetooid met boeddhistische gebedsvlaggen en wordt bemand, uiteraard, door een boeddhist, die de zomer in deze hut doorbrengt en s' winters ergens in de Himalaya woont. De hut schijnt geweldig mooi te liggen, volkomen vrij op een rotsplateau aan de voet van de M. Maledia 3065m en met uitzicht op de Monte Viso, Monte Rosa en de Mont Blanc.
Toen we s' morgens aan onze tocht begonnen (8.30) was het schitterend weer, de vorige dag had het nog behoorlijk geregend, maar volgens de weersvoorspelling zou het de komende dagen mooi blijven, dus vol goede moed op pad. De eerste tweehonderd meter stijgen ging door het Vallone Monte Colombo, een bosrijk dal, dat bekend staat om zijn enorme beuken (il faggio).Er zijn er bij van meer dan honderd jaar oud, ze komen voor tot op 1400m hoogte. Het pad dat we volgden, was feitelijk een oud karrenspoor, dat hoogstwaarschijnlijk in vroegere tijden nog dienst had gedaan voor de koninklijke koetsen. Het liep vlak langs een riviertje met prachtige watervalletjes en stroomversnellingen, waarin je de forellen uit het water zag opspringen, schitterend(wel verboden te vissen).
Na een klein uur gelopen te hebben werd het bos minder dicht en kwamen we op een grote open plek. Vanwaar we een uitzicht hadden op het vervolg van onze tocht, namelijk Pra de Rasu, een uitgestrekte weide (alm) op 1480m, waardoor enkele beken meanderden en met als achtergrond decor het geweldige massief van de Mont Gelas, prachtig. De weide of alm wordt uitsluitend bevolkt door kudde geiten en schapen met hier en daar een koe, door de steilte van het gebergte zijn er maar weinig grote almen, daardoor kan er maar weinig vee grazen. Na enkele foto's te hebben genomen vervolgden we onze tocht.
Het pad(spoor) was nog steeds gemakkelijk, op de slechtste plaatsen was het zelfs geplaveid, licht stijgend bijna vlak en ongeveer kilometer lang, hierdoor kon men rustig de omgeving in zich opnemen.
Zo lopend viel me nu pas op, dat door het slechte weer van de afgelopen dagen de hoogste toppen met een extra laagje poedersneeuw waren bedekt, wat in mooi contrast gaf met het kobaltblauw van de lucht. Eenmaal de weide te hebben doorgestoken, kwamen op een splitsing, links liep een pad steil omhoog naar het Lago Vei del Bouc. Een prachtig bergmeer gelegen op 2350m en bekend om zijn steenbokken die hier altijd rondscharrelen. Wij moesten het rechtse pad, dat hier door dwergdennen en alpenroosjes liep volgen tot bij Gias de Mont Colombo een alm op 1600m hoogte, hier moesten we een riviertje oversteken, smal bruggetje. Dit was het eindpunt voor de meeste dagjesmensen en tevens ook het eindpunt van ons karrenspoor, er zijn hier enkele mooie zandstrandjes een ideale plek om te picknicken en te zonnen. Ook wij pauzeerden hier, het was ondertussen bijna middag en tijd voor de lunch.
Nadat de inwendige mens was versterkt vertrokken we richting einde dal, van daar moesten we, volgens de kaart, steil naar omhoog de bergflank traverseren om dan uit te komen op de Pas du Muraion 2100m. Tot nu toe waren we maar een tiental wandelaars tegengekomen, voor de maand augustus toch de vakantiemaand bij uitstek in Italië, is dat zeker niet veel te noemen. Van hieraf verwijderde het pad, dat intussen was overgegaan in een echt bergpad, zich door een viertal sterk stijgende zigzags vandaan de rivier. Waardoor we vlot honderd meter aan hoogte wonnen, om daarna weer verder de loop van de rivier te blijven volgen. Verder het dal in werd het verval steeds groter en had de rivier moeite zijn weg te vinden tussen de meters hoge rotsblokken, soms liepen we in de schaduw van grote groepen lariksen, bomen van zo'n twintig tot dertig meter hoog, die hier tot op 1800 a 2000m hoogte voorkomen. Langzaam verwijderde het pad zich van de het riviertje om ten slotte uit te komen bij een prachtige waterval die we onderdoor moesten passeren, waarna we rechts over rotsen en enkele steile banden in de bergflank uitkwamen. Eenmaal daar zag ik wat ik namelijk al vermoeden, op de kaart stond dit gedeelte gestippeld, dat duidt op een moeilijke passage en dat was ook zo. De volgende honderd meter van de bergflank zag er steil en onoverzichtelijk uit met uitstekende rotspunten en los puin. Toen we dichterbij kwamen zagen we dat de moeilijkste stukken voorzien waren van staalkabels waaraan we ons konden zekeren, na dat we dat gedaan hadden werd de passage met handen en voeten genomen, gelukkig viel het geheel achteraf nog redelijk mee. Na we dit hadden geklaard kwamen we in makkelijker terrein dat langzaam overging op iets dat geleek op een pad. De pas kon nu niet ver meer zijn en na een half uurtje was het dan zover en stonden we op Pas du Muraion 2100m hoog. De hoogte op zich is niet zo bijzonder, ondertussen waren we wel al negenhonderd meter gestegen, dus wachten er ons nog vijfhonderd tot de hut.
We stopten hier even, het was nog steeds bloedheet, voor een slok en tevens om van het uitzicht te genieten, ten noorden van ons zagen we de contouren van de centrale alpen en dichterbij de Monte Viso. Jammer dat het een weinig heiig was, maar hopelijk zal het tegen de avond uitklaren. Als alles mee zat zouden we binnen twee uur bij de hut moeten zijn.
We gingen verder en kwamen in een prachtige alpiene omgeving. Bij elke volgende stap zien we vervolgens langzaam een indrukwekkend massief opdoemen. Het is de Monte Matto een rotsbastion van 3097m hoog zeer bekend bij de rotsklimmers met routes van V tot Vll. Vlak voor ons was net de top van de Mont Clapier 3041m zichtbaar. De berg dankt zijn bekendheid aan het feit dat het de zuidelijkste drieduizender van de Alpen is, wat er nu nog aan ontbrak was een kudde met gemzen en of steenbokken,dat zou het beeld van de Alpi-Marittime compleet hebben gemaakt. Verder stijgend zag ik op een gegeven moment boven ons twee personen,die afdalend onze richting opkwamen. Toen ze ons wat dichter waren genaderd zag ik dat een van hen getooid was met een behoorlijke baard, hij was precies het type dat ik me voorstelde van een boeddhistische huttenwirt, bij het passeren heeft de man met de baard ons een hand en je kunt geloven of niet hij stelt zich voor als de huttenwaard. We zeggen dat we in de hut willen overnachten, vervolgens vraagt hij of we hebben gereserveerd . Dat hadden we dus niet,volgens het gidsje was dat niet nodig. Door de afgelegen ligging was het er toch nooit druk, maar geen probleem hij moest nog even ergens zijn, binnen ander half uur zou hij terug in de hut zijn en zal er een regeling worden getroffen.
Nadat de twee waren vertrokken vervolgden ook wij onze weg, hoe hoger we kwamen hoe mooier en spectaculairder het landschap werd, ook de Argentera komt hier goed uit de verf. Na een tijd gelopen te hebben zag ik in de verte juist boven de rotsen de Italiaanse vlag wapperen dan kon de hut niet meer veraf zijn. Toen we bij de vlag aankwamen zagen we dat het een centraal punt was van waar verschillende routes samen kwamen. Maar van de hut geen spoor, totdat we op een platte steen "Rifugio tien minuten" konden lezen, dus vlug verder want ik was benieuwd hoe hij (de hut) er uit zou zien. Dat laatste stukje ging over puin en rotsblokken en was behoorlijk steil(de laatste loodjes wegen meestal het zwaarst en dat was ook hier van toepassing).Maar nu we hem in al zijn glorie zagen liggen moest ik wel even met de ogen knipperen. Dat kon niet dit was een volledig andere hut dan die op de foto in het gidsje, die was wit van kleur terwijl deze veel ruimer leek en zo te zien voor het grootste gedeelte uit hout bestond. Er zou maar plaats zijn voor twintig personen, we zaten toch wel goed!
Ik liep tot bij hut en zag boven de deur het naambord R. Federoei-Marchesini Pagari 2650m het was hem dus toch, in Italië hebben de meeste hutten dikwijls twee namen, zo ook deze, tegelijk zag ik rechts van de hut de wapperende gebedsvlaggen, het kon niet anders dit moest hem zijn. Ik ging vervolgens naar binnen om te reserveren, maar er was niemand aanwezig behalve een hond. Ik wou net terug naar buiten gaan toen de keukendeur open ging en er een jonge man te voorschijn kwam, hij knikte vriendelijk en vroeg wat ik wilde. Ik vertelde hem dat we de huttenbaas waren tegengekomen en dat hij binnen een uur, volgens hem, hier terug in de hut zou zijn. Ja, dat klopt zei hij, die moest nog wat voorraad ophalen, want alles wordt hier nog puur natuur gedaan. Drank en voedsel wordt per ezel of mankracht(meestal vrijwilligers) naar boven gebracht. Toen ik hem vroeg of we hier konden overnachten begon hij te lachen, alles zit vol. Maar ik heb nog een alternatief daarvoor moeten eerst alle gasten aanwezig zijn, dus even geduld tot de avond, maar overnachten konden we zei hij, maar waar of hoe bleef nog een verrassing.
Het was ondertussen vier uur en nog steeds stralend weer, genoeg tijd over om de omgeving rond de hut te verkennen. Zo slenterend dacht ik aan wat er in het gidsje stond, namelijk de magnifieke ligging van deze hut. Dat was volkomen juist mooier kon een hut niet liggen. Ze stak als een piramide boven haar omgeving uit en omdat de Alpen hier op hun smalst zijn is er een geweldig hoogteverschil(verval) en dat op vrij korte afstand. Daardoor kijkt men rechtstreeks uit over de Po vlakte met daarachter de centrale Alpen en bij helder weer zelfs de Middellandse zee. Onze bedoeling is de volgende morgen de Col de Clapier 2864m mee te nemen en bij voldoende tijd de Mont Clapier 3041m. Dus was het nu een mooie gelegenheid om het begin van de route naar de col te gaan verkennen, dat bespaart tijd en hoeven we morgen niet te zoeken. Toen we dat geklaard hadden gingen we terug naar de hut, waar het intussen behoorlijk druk was.
Ik ging a passant eens kijken of de huttenwaard al was gearriveerd en ja hoor hij stond voor de hut en was in gesprek met enkele gasten. Het was ondertussen wat frisser geworden en dus besloten we iets in de hut te gaan drinken, hopend daarbij de huttenwaard te spreken. Nadat we een biertje hadden besteld, kwam de wirt naar onze tafel. Hij had ons herkend en vroeg of hij ons moest bijschrijven voor het avondeten, er wordt hier alleen maar vegetarisch eten bereid dit i.v.m. het Boeddhisme of we daar geen bezwaar tegen hadden, we zouden niet teleurgesteld worden, dat vonden we geen probleem kon alleen maar de sfeer ten goede komen. Ik vroeg hem hoe het zat voor het slapen voor vannacht, was okè zei hij. Jullie kunnen met nog zes andere in de eetzaal slapen, we schuiven de banken en tafels tegen elkaar met daarbij voor ieder een matras en twee dekens en weg was hij op naar zijn volgende gasten, ons verbouwereerd achterlatend.
Terug buiten, het weer was nog steeds goed, maar vanuit de Po vlakte kwam laaghangende bewolking aanzetten, die langzaam maar gestaag de dalen binnentrok. Even voorbij de hut stond een groepje gasten te gebaren en naar beneden te wijzen. Ik ging eens kijken en ja hoor daar had je ze dan, een groepje steenbokken met jongen incluis. Het waren de eerste die we deze dag te zien kregen, de jonge waren volop met elkaar aan het dollen, terwijl de oudere de omgeving in het oog hielden, het was een fascinerend gezicht je kon er naar blijven kijken. Zo verstreek de tijd en konden gaan denken we aan het avondeten. Ik was benieuwd wat ons te wachten stond.
Terug in de hut kregen we onze plaatsen toegewezen het was een beetje behelpen, want veel plaats was er niet meer over, maar het was te doen. Toen alle gasten ter plekke waren gaf de huttenwaard enige uitleg over het menu, dat bestond uit soep daarna polenta met drie verschillende soorten groenten en een pannenkoek na. Tijdens het eten was er op een bepaald moment steeds een heen en weer geloop van jewelste, er moest iets gaande zijn, dus ook maar eens gaan zien. Buiten gekomen wachtte er wel een verassing, zover men kijken kon lag alles bedekt onder een wolkendeken, met daarboven uitstekend de hoogste toppen van de Alpen. Met dichterbij de Monte Viso, ongelooflijk mooi, dat zal een geweldige zonsondergang opleveren, dus vlug terug voor het eten.
Na te hebben gegeten, dat overigens heerlijk was en waarbij we als extra afsluiter een gratis glas genepy (sterke drank gemaakt van gentianen) van de waard kregen, gingen we naar buiten voor de foto’s. Het wolkendek was ondertussen nog gestegen tot ongeveer honderd meter onder de hut. Het was echt een fantastisch mooi gezicht die laatste zonnestralen over het wolkendek te zien schijnen, daarbij alles in een oranjegloed zettend, dit is een dergelijk moment daar doe je het toch allemaal voor, echt onvoorstelbaar mooi. Een ieder met een foto of filmcamera kon hier de mooiste beelden van zijn vakantie maken en werd daar in grote getale gevolg aan gegeven.
Toen dit karwei was geklaard, het was intussen 21.00 uur, werd het snel kouder en tijd om de binnenkant van de hut op te zoeken. We hadden nog een uurtje voor een spelletje kaart, want om 22.00 uur was het bedtijd. Nog even iets over de hut, die hebben ze in 1998 verbouwd en uitgebreid van 20 naar 44 personen. Gelukkig hebben ze er niet zo moderne stalen monster van gemaakt, zoals tegenwoordig steeds meer gebeurt, alles is hier nog even authentiek als voor de verbouwing. Zo bestaat de verlichting uit gas(gaskousjes) en wordt er gekookt en gestookt op hout, hierdoor heeft de hut wel zijn charme weten te behouden. Nadat de laatste gasten hun slaapruimte hadden opgezocht werden voor ons de tafels en banken tegen elkaar geschoven de matrassen en dekens werden binnengebracht het overige, het installeren, werd aan ons zelf overgelaten verder werd iedereen een goedenacht gewenst.
Het is vijf uur in de morgen en nog muisstil in de hut, wanneer ik stilletjes naar buiten ga om te kijken hoe het met het weer is gesteld. Dit is een traditie altijd als ik in een hut heb overnacht doe ik dat. Het zag er schitterend uit er was nog niets veranderd tegen gisterenavond alles lag nog mooi bedekt onder de wolkendeken, tijd te over voor een kop thee met ontbijt voordat de zon op zal komen. Terug in de hut eerst Max gewekt, waarna we ons gereed maakten voor het vertrek. We liepen in een rustig tempo zo’n tweehonderd meter boven de bewolking. Het was er volkomen windstil geen enkel geluid echt doodstil dit was pas puur genieten, dit was puur natuur. Na een half uur verschenen de eerste zonnestralen boven de bergkam en zetten alles in een geelrode gloed, wat was dit weer een geweldig spektakel het verrast telkens weer. Toen we de gebruikelijke foto's hadden genomen vertrokken we richting col.
Het eerste gedeelte ging over grote rotsblokken. Af en toe kregen we vaster gesteente onder onze voeten,doch we moesten wel geconcentreerd blijven.Veel rotsplaten waren nog verijsd en het was niet de bedoeling te gaan glijden.Verderop werden de blokken kleiner, totdat we op een klein plateau kwamen waarvan we een mooi zicht hadden over het gebied. De col en het spoor er naartoe was van hieruit goed te zien, men moest eerst over gruis(steeds weer)en rotsbanden afdalen om dan vervolgens stijgend met enkele zigzags uit te komen op oude sneeuwvelden en de col.
Dit bleek niet al te moeilijk, na een half uurtje sneeuwstampen stonden we op de col de Clapier 2846m en keken we Frankrijk in. Links van ons lag de Mont Clapier (zuidelijkste drieduizender van de Alpen met zijn 3041m). Er loopt weliswaar geen pad, maar de route er naartoe is wel met steenmannetjes en hier en daar een lik verf gemakeerd. Hij is hiervandaan in een uur over rotsbanden en platen te beklimmen is. Wat opviel was de heldere wolkenloze hemel aan de Franse kant, terwijl aan de Italiaans zijde alles onder de wolken lag. Ik vermoed dat het iets te maken heeft met de vochtige lucht die uit de Po vlakte opstijgt. Dat hebben we de afgelopen weken wel vaker gezien. Maar niettemin gaf het als geheel een zeer mooi contrast. Links en rechts van de col, lagen op zeer strategische punten, nog enkele ruines van kazematten uit de eerste wereldoorlog die zo te zien nu door klimmers en of trekkers worden gebruikt als bivak (afval). Ook kan men hier nog verschillende verlaten kazernes tegenkomen, de plaats van de soldaten wordt nu meestal ingenomen door steenbokken, die gebruiken de kazernes als schuilplaats tegen de natuur elementen.
Na hier een kwartiertje te hebben doorgebracht werd het tijd om terug te keren naar de hut. Jammer we hadden nog graag de Clapier willen doen, maar er was geen tijd meer voor dus iets voor de volgende keer. Terug in de hut, het was inmiddels acht uur, werd alles in gereedheid gebracht voor het vervolg van onze tocht. Na afscheid genomen te hebben van de huttenwaard en a passant nog wat informatie te hebben ingewonnen over het verloop van onze tocht, vertrokken we voor onze traverse richting Mont Gelas.
Het weer deed nog steeds zijn best, de wolken hingen nog altijd boven de dalen, maar begonnen langzaam op te trekken. Maar omdat we eerst driehonderd meter moesten dalen om er daarna weer vijfhonderd te moeten stijgen, was de kans bijzonder groot dat we in de wolken zouden terechtkomen. Dat zou de tocht een stuk lastiger maken en misschien zelfs een beetje mystiek, terwijl het tevens een mooi decor voor onze foto’s zou kunnen opleveren. Volgens de huttenwirt wordt de tocht die wij gaan doen, naar Biv R Moncalieri, niet druk belopen, de meeste die hem doen gaan voor de M. Gelas. Het is geen eenvoudige tocht daarvoor is hij te lang. En er zitten nogal wat tegenstijgingen in, terwijl het laatste gedeelte zeer slecht gemarkeerd zou zijn, dus moeten we extra goed opletten niet in de fout te gaan, de tocht op zich zou redelijk zwaar zijn, maar schitterend mooi. We zouden drie meertjes moeten passeren, waarvan er zeker een gedeeltelijk met ijs bedekt zou zijn. Verder zal ons pad zeer zeker worden gekruist door steenbokken en met wat geluk zullen we ook gemzen zien en met heel, heel veel geluk konden we lammergieren zien zweven(spanwijdte 2.30m), die hebben hier hun territorium. De eerste honderd meter was het pad nog redelijk vlak, daarna ging het vrij steil naar beneden en was het op sommige plaatsen erg luchtig. Gelukkig waren de moeilijkste punten goed beveiligd met stalen kettingen, moest men hier een uitglijder maken dan was het leed niet te overzien. Verderop werd het terrein wat gemakkelijker, maar daar kregen we te maken met de verschillende tegenstijgingen, een ware aanslag op onze conditie. Na een tijdje zagen we beneden ons het eerste meertje uit de mist te voorschijn komen, het leek wel een smaragd zo mooie groene kleur had het. Dit meertje was trouwens het laagste punt in onze traverse, van hieraf was het nog vijfhonderd meter stijgen tot het bivak. We waren nu een dergelijk kleine twee uur aan het lopen en tot nu toe waren we nog geen mens of dier tegengekomen, op een paar marmotten na. Hopelijk kwam daar nog verandering in, liefst in de positieve zin wel te verstaan.(dieren)
Toen we bij het meertje arriveerden liepen we op gelijke hoogte met het wolkendek, dit gaf toch wel een extra sfeer aan de tocht. Het was trouwens wel een idyllische plek, een plek om langer te vertoeven, maar door de mist was het er toch behoorlijk fris, dus besloten we om onze lunch op een warmere plaats te gebruiken. Door ons steeds te concentreren op het volgen van de markeringen, hadden we de omgeving wat uit het oog verloren. Daardoor stonden we plotseling oog in oog met een geweldige grote steenbok, die stond daar als kwam hij uit het niets te voorschijn. Wat een kanjer ik schatte zijn hoorns ongeveer meter tot een meter twintig lang. Aan het aantal ringen op de hoorns te zien moest hij zeker tussen de twaalf en veertien jaar oud zijn, wat een prachtdier. Zo plots als hij te voorschijn was gekomen, zo snel was hij ook weer verdwenen opgeslokt door de wolken, het leek wel een verschijning.
Van een pad was allang geen spraken meer. We moesten het doen met het zoeken naar de stippen, die echter steeds zeldzamer werden en dat was zeker geen sinecure in deze mist, gelukkig trok het af en toe open, waardoor we ons weer een beetje konden oriënteren. Trouwens het terrein werkte ook niet echt mee. Het bestond op sommige plaatsen uit man hoge rotsblokken. De huttenwirt had gelijk dat het niet makkelijk zou zijn. Gelukkig waren er toch nog verstandige wandelaars, die hadden tussen de verspreid liggende stippen af en toe een steenmannetje gebouwd, wat ons goed van pas kwam. Doordat we met al dat gezwoeg maar langzaam hoogte wonnen, hadden we geluk dat het al tegen de middag liep en het vrij warm was, waardoor het wolkendek plots geheel verdween. Het landschap dat we nu te zien kregen was met geen pen te beschrijven zo fantastisch mooi was het. Voor ons lag een morenedam bestaande uit grote rotsblokken en puin, die hield de waterstand van het meer op peil, Daarachter lag het met ijsschotsen bedekte meer ingebed tussen de noordoostwand en de gletsjer van de Mont Gelas. De top zelf was van hieruit goed te zien, dit was een ideale plek voor onze middagpauze.
Terwijl we ons tegoed deden aan het middageten(stokbrood met kaas), hadden we mooi zicht op het verdere verloop van onze route. Die liep van hieruit over de morenegraat tot aan het begin van de gletsjer. Van daar moesten we onder langs de gletsjer traverseren tot bij het bivak, dus het zal in het begin behoorlijk te puinstampen worden. Ook hadden we van hier een mooi zicht over het meer, het water was prachtig blauwgroen van kleur en kristalhelder. Je kunt het geloven of niet, maar het werd nog bevolkt door forellen en dat bij een temperatuur van ongeveer twee graden Celsius onvoorstelbaar.
Max die tijdens de pauzes meestal de omgeving gaat verkennen, observeren noemt hij dat, hoorde ik plots roepen, Walter hier! Ik vlug naar hem toe, hij zat gehurkt voor een rotsblok en gebaarde stil te zijn. Toen ik bij hem kwam kon ik mijn ogen niet geloven, daar zat hij dan volop te genieten van de zonnewarmte, de Alpensalamander. Hij was nog niet echt actief teken dat hij nog niet volledig was opgewarmd. Het diertje is ongeveer twintig centimeter lang en gitzwart van kleur, is tegenwoordig vrij zeldzaam en leeft op een hoogte tussen de 800 en 3000m. Van alle salamanders heeft hij zich het best aan het landleven aangepast en is een van de weinige soorten die levendbarend zijn. Van de vijfentwintig jaar dat ik al in de Alpen kom, is dit de eerste keer dat ik er een” in levend lijve” zie, toch wel even een moment om bij stil te staan.
Net toen we onze tocht wilde voortzetten verschenen er zestal personen op het bovenste gedeelte van de morenen. Ze kwamen onze richting uit. Bij het passeren maakten we een babbeltje, het waren Franse klimmers ze hadden vanmorgen de Mont Gelas gedaan en gingen nu via de Refuge Pagari naar Refuge Nice in Frankrijk. A passant even gevraagd hoever het nog was tot het bivak. Volgens hen ongeveer anderhalf uur. Maar om daar bij te komen moesten we eerst nog een obstakel overwinnen, nl een beekje dat zich tussen de gletsjer en de morenen naar beneden wrong en dat zag er niet eenvoudig uit, het water had een geul van wel zeker tien meter in de wand uitgesleten. Dichterbij gekomen zagen we dat de plaats waar we moesten oversteken was beveiligd. Er waren een viertal stalen pijpen met daardoor een staalkabel aan de wand bevestigd. Dat was ook wel nodig, want de wand bestond uit gladgeschuurde platen die ook nog eens spiegelglad waren en naar ik kon schatten een hellingshoek had van dertig graden. We moesten hier voorzichtig te werk gaan. Eenmaal dit gedeelte gepasseerd, dat ging vrij vlot we hadden ondertussen al enige ervaring opgedaan, kwamen we op het spoor (steenmannetjes) onder aan de gletsjer, van hier ging het licht stijgend richting bivak. Verder deden zich geen noemswaardige moeilijkheden meer voor, behalve het laatste stuk, waar we nog een kleine couloir door moesten dat was gevuld met los puin, rotsblokken en enkele sneeuwresten, dus was het opletten voor het uitglijden en steenslag.
Boven gekomen lag daar tussen het puin en de rotsblokken het bivak R.Moncalieri 2710m hoog, het leek als het ware tegen de rotswand aangeplakt, met zijn rode kleur en het grijs van het gesteente was het van op afstand goed zichtbaar. Het bivak is schitterend gelegen, zoals de meeste bivakken trouwens, ze liggen meestal op mooie panoramapunten, dit hier ligt aan de rand van de gletsjer met uitzicht op de zuidoostgraad van de M. Gelas en biedt plaats aan negen personen. Van hieruit vertrekt de normaalroute naar de top, men moet dan eerst de gletsjer links traverserend oversteken en dan over de rotsgraat naar de top, staat als ll graads genoteerd, de tijd die ze ervoor hebben aangegeven staat op drie uur. In het bivak waren nog restanten van voedsel aanwezig, zoals pakjes rijst, macaroni, zout en peper. Verder was er ook nog drank o.a. enkele flessen wijn en mineraalwater, ook lagen er verschillende tijdschriften, waarvan de meeste bestonden uit berglectuur. A passant effen zien of er een huttenboek te vinden was, dat moest normaal aanwezig zijn, na wat zoeken had ik het gevonden, even kijken of er iets interessant in stond.
Volgens het boek wordt het bivak niet echt druk bezocht, het meeste komen voor de Mont Gelas. De eerste Belgen die ik tegenkwam stonden genoteerd in het jaar tweeduizend en een, de overige waren Fransen, Italianen en natuurlijk Nederlanders. Het was ondertussen 13.00 uur tijd om aan de afdaling te beginnen, in het geheel moesten we ongeveer 1500m dalen, de tijd die er voor stond was drie en half uur, het zou eigenlijk wel eens een goed gevuld middagje kunnen worden.
Voor het eerste gedeelte van de afdaling moesten we dezelfde weg terug tot bij de morenen, vandaar naar links traverserend tot het punt Pera de Fener, een voortopje van de M.Gelas, van hier was het alleen nog maar afdalen, dit alles volgens de kaart. Toen we terug op de morenen waren gearriveerd was het even zoeken voordat we het "spoor" hadden gevonden. Dat liep over afgesleten gladde rotsplaten met hier en daar nog restanten sneeuw en ijs afkomstig van een van de drie gletsjers die zich op de M. Gelas bevinden.
Na de gletsjer te hebben achtergelaten kwamen we in een dalkom. Waarin zich verscheidene moerasachtige poeltjes bevonden, die omgeven waren met grote groepen grootbloemige voorjaarszonnebloemen, ze hadden een prachtige diepgele kleur, maar ook het wit van de alpenranonkel was hier op zijn plaats, een waar paradijs voor de botanici. Op een gegeven moment werd ons pad gekruist door een kudde gemzen, ik schatte ongeveer tien stuks met daarbij enkele jongen, de meeste waren aan het grazen een paar lagen in de schaduw van een rotswand te rusten.
Over het algemeen zijn gemzen vrij schuw, deze echter waren dat helemaal niet, ze zijn hoogstwaarschijnlijk al aan de mens gewend, dat is misschien het plus of minpunt van een natuurpark!
De kudde achterlatend gingen we verder, de rotsplaten maakten plaats voor puin, steeds weer puin. Totdat we op een vooruit geschoven rotspunt uitkwamen., Van hieruit zagen we ons topje "Pera de Fener" liggen het was iets hoger dan het punt waar we nu stonden. Maar om daar te komen moesten eerst afdalen door puin, om vervolgens omhoog over rotsbanden op het "topje" zien te geraken.
Dat was op een kwartiertje geklaard, boven hadden we een geweldig mooi zicht op de dubbeltop van de Argentera, trouwens de M.Gelas lag hier ook voor het grijpen, iets verder weg maar daarom niet minder imposant liet de M. Viso zijn piramidezijde bewonderen, met zijn 3842m stak hij vijfhonderd boven zijn omgeving uit, dit was nu het beeld van een echte klassieke berg, schitterend. Tijdens de verdere afdaling, waarvan het eerste gedeelte behoorlijk steil was, passeerden we nog enkele meertjes met als bekendste het Lago della Maura.
Het gebied en zeker het Franse gedeelte staat bekend om zijn groot aantal meertjes, verder vielen de grote aantallen van de zilverdistel en gele gentianen op, dit was voor het eerst dat we die hier tegenkwamen. Nadat we het steilste gedeelte waren afgedaald kwamen we in het bovenste deel van het Gesso della Barra, een zeer mooi dal met een van de grootste almen uit het gebied, namelijk Piano del Praiet, waarop ook de Riugio Soria Ellena ligt. Deze hut biedt plaats aan vierenzestig personen en is redelijk groot, door zijn ligging aan een splitsing van G.T.A. en A.S, F. routes is het er altijd redelijk druk, de meeste bezoekers zijn trekkers of dagjesmensen, het is maar twee en half uur lopen van de hut tot in het dal. We hebben er nog iets gedronken en zijn toen verder afgedaald over de prachtige alm, waar we nog enkele bewoonde almen aantroffen met koeien en geiten incluis, wat een uitzondering is in dit gebied. Zo langzamerhand begon de vermoeidheid zich te laten gelden, dat was niet zo verwonderlijk na een dergelijk afdaling. Toen we er arriveerden was het 17.30 uur alles bij elkaar waren we er vier en half uur afgedaald, met de stop in de hut erbij was dat een redelijke tijd.
Terugkijkend hebben we twee fantastische dagen gehad, prachtig weer, een geweldige tocht en een goede kameraadschap. Het park is beslist een aanrader, echt nog puur natuur en niet overlopen door toeristen. Wie eens wat anders wil dan de gebruikelijke centrale Alpen heeft hier een mooi alternatief.
We komen hier zeker nog een keer terug, maar dan wel voor de ARGENTERA.
W.Voet
|