Spanje 2005 PDF Afdrukken E-mailadres

Reisverslag van Cor Claassens

Vertrek: 25 juni 2005
Terug:    6 juli  2005 

Deze reis is gemaakt met het doel het landschap van noord Aragon met zijn flora en fauna vast leggen op film en foto. Er zijn 2 á 3 daagse wandelingen gemaakt in rustig tempo. We hebben gebieden bezocht waar niet iedereen direct heengaan. Wild dat ons pad kruist en geurige bloemenvelden zorgden er steeds voor dat onze dag anders verloopt dan gepland.

In de middag rijd ik Spanje binnen via de Col de Somport.

Als ik de N-330 afdaal kom ik uit bij het dorpje Aratores. Hier sla ik rechtsaf  het dal van Borau in. Bij Aisa kom ik op een niet geplande weg, daar kreeg ik geen spijt van. Een uitzicht naar Frankrijk tussen de orchideeën.

Ik parkeer de auto bij een hut aan de voet van een berg. Meteen na aankomst gaat de pas er in om voor het donker bij een hoger gelegen onbemande hut aan te komen. De vermoeidheid van de nachtelijke rit voel ik al snel in mijn benen. Ik kruip tergend langzaam de berg op.

 

De aderen in mij hoofd kloppen een ritmisch tempo. Ik tracht mijn ritme hier op aan te passen maar steeds moet ik weer bijstellen. Het pad gaat regelrecht naar de hut die op afstand lijkt op een kleine moskee.

Een vierkant gebouw met een wit koepeldak, zonder ramen. Alleen een deur, een zware ijzeren deur met een klein kijkgat erin. Binnen, één grote ruimte met open haard. Aan één muurzijde is een verhoging gemaakt wat kan dienen als zitplaats. Een kaars geeft voldoende licht. Sprokkelhout dat binnen ligt opgestapeld brand snel en zorgt voor een aangename temperatuur Het is eigenlijk best een grote ruimte. Er kunnen zeker 16 mensen slapen, maar dan wel op een betonnen vloer. Wij zijn met twee, dus voldoende ruimte. Als de haard goed brand bereiden we een gevriesdroogde maaltijd en sluiten af met een hete kop thee. Het is ondertussen al donker geworden. Voor de hut zoek ik een plaatsje om naar de sterrenhemel te kijken. Ik overdenk de dag en besef dat ik 24 uur geleden nog in de woonkamer zat om mijn paklijst te controleren.

Het zien van duizenden sterren die aan de hemel flonkeren, doet me denken aan een verhaal van Joe Simpson. Hij schreef ooit in één van zijn boeken,

 “zoals de bergen je kunnen laten voelen hoe onbetekenend en kwetsbaar je bent,
 zo kunnen de sterren, die in de bergen zo sprankelen helder zijn,
 je doen beseffen hoe onbeduidend je bestaan is. Er zijn nachten dat de ontelbare diamanten in de
zwartfluwelen nacht me van mijn stuk brengen”

Met die gedachten tuur ik nog een poos naar een hemel vol diamanten, tot ik begin te rillen.
Het is half twaalf, ik duik de slaapzak in.

05.00 uur. Het is koud. Rillend rol ik mijn slaapmatje op en kleed me gauw aan. Binnen 20 Minuten zijn we onderweg, hetzij moeizaam. Ik heb niet zo comfortabel geslapen. De betonnen vloer was toch harder dan ik dacht en het dunne matje bied niet veel komfoor. De nacht heeft nog geen afscheid genomen.

Met de verlichting van de maan zie ik net voldoen om het pad te kunnen volgen.

Achter de hut daal ik naar een plateau waar verschillende stroompjes bij elkaar komen. Iets rechts aanhouden, dan loop je richting Valle de Los Sarries zeg ik tegen Chris. Al snel zien we de eerste gemzen. Verderop zien we nog een groep gemzen. Die hebben ons al zien aankomen en vluchten hogerop. Tussen de rotsen zijn ze haast niet herkenbaar, alleen als ze zich verplaatsen. Door goed op te letten zie ik ze tot op de graat. We spenderen veel tijd aan registratie. En die tijd vliegt dan ook voorbij. Dit is echt genieten zo vroeg in de morgen.

Als we Valle de Los Sarries in draaien laat de groep gemzen zich nog een keer zien. Nu komen ze de helling af en steken voor ons het dal over. We spreken geen woord met elkaar maar genieten van elk moment terwijl de camera’s hun werk doen.

Een plateau waar een riviertje als een zilver lint doorheen slingert is ons uitzicht. De zon komt langzaam het dal in. Terwijl marmotten stoeien in het gras, klimmen gemzen alweer tegen de andere helling op. Aan het eind is een meertje, het krioelt er van de kikkervisjes. Iets verder valt het water de diepte in. Als ik over de rand kijk verdwijnt het water in het dal van Echelle. Op de kaart staat een meer aangegeven. Dat is momenteel een enorme vlakte waar het riviertje verder zijn weg zoekt, maar geen meer. Wel een klein rood tentje dat afsteekt in het fris groene gras. De kampeerders zijn juist opgestaan en maken aanstalten te vertrekken. De zon verwarmt me. Ik zoek een plekje om er van te genieten. Een Alpenleeuwerik zingt zijn hoogste lied, terwijl ik, door de temperatuur en de stilte even wegdoezel. Ik schrik wakker als iemand groet. Het zijn de kampeerders uit het dal.

Met bewondering bekijk ik de bloemenpracht langs de waterval. Ik ontdek er Edelweiss.

Ondertussen heeft de zon Valle de Los Sarries een kleur gegeven. In een flits zie ik een slangenarend over het dal zweven. Roofvogels komen in dit gebied veel voor. Om ze nog beter te kunnen waarnemen rijd ik naar een gebergte iets verder landinwaarts.

Nabij Riglos is een uitzonderlijk gebergte, dat rood opkleurt in het late middagzonnetje. De weg komt uit in Ayerbe een klein dorp aan de voet van dit gebergte. Iets verder rijd ik een onverharde weg in. Nesten van de bijeneters herken ik aan de gaten in de zandwallen. Een vosje steekt een gemaaid graanveld over en kijkt schichtig om. De weg eindigt bij een stuwmeer (E.de Las Navàs), Ik hoor de roep van de bijeneters maar zie ze niet.

Naast het gebouw, dat bij het stuwmeer hoort, willen we de tent plaatsen, dan komt er een donkere wolk over de bergrand aanrollen. Zware windstoten doen het water van het stuwmeer veranderen in een woest golvende zee. Meteen daarna zitten we in een stortbui die gepaard gaat met donder en bliksem. Snel alles terug in de auto. Dan slaat de bliksem in op het gebouw naast ons. De vonken spatten in het rond, de klap is ongenadig hard. Mijn haren staan recht overeind en mijn huid begint te tintelen. Omhoog kijken gaat niet, de regen valt met bakken uit de hemel. Snel in de auto waar we min of meer veilig zijn. Mijn hart gaat tekeer als een gek. We kunnen elkaar haast niet verstaan, deels omdat de knal nog nagalmt in mijn oren. En deels omdat de auto wordt gegeseld door enorme slagregen. We worden behoorlijk door elkaar geschud van de windvlagen die achter het gebouw vandaan komen.

Na een half uur is de bui voorbij. Als we uit de auto stappen zien we dat we op nog geen drie meter van de aardleiding van de bliksemafleider staan, vandaar die enorme klap en de vonken die om onze oren vlogen.

We zien het water weg stromen waarna de resten verdampen. Hier en daar blijft een grote plas staan. Kunnen we meteen zien waar we de tent niet neer moeten zetten.

Een vlak plekje om ons camping tafeltje neer te zetten en we kunnen gaan koken. We hebben nu wel trek in iets voedzaam.

Als de tent bijna staat horen we opnieuw gerommel in de verte. Voor we de laatste haring in de grond hebben geramd vallen de eerste druppels al. Het tafeltje met kookspullen, de slaapzakken en matjes, Wat levensmiddelen en twee kannen water weten we nog in de tent te zetten Er breekt opnieuw een onweer los, gepaard met behoorlijke windstoten. Beiden moeten we de tentstokken vasthouden terwijl donder en bliksem om ons heen raast. De twee kannen met water binden we aan de voorste tentstok van onze tunneltent, we komen handen tekort. Het water stroomt al onder de tent door. Meteen verhuizen we naar de binnentent om geen natte voeten te krijgen. Dit alles duurt zeker een uur. Als de wind iets bedaard heeft Chris, die het niet op onweer heeft, geen trek meer en kruipt in de slaapzak.

Ik eet wat brood en vis uit blik en wacht op de volgende bui. Gelukkig worden we gespaard van het geweld van weleer alleen de regen blijft aanhouden.

Van vermoeidheid val ook ik in slaap en word de andere morgen om vijf uur pas wakker.

Nog steeds druppelt het op de tent, ik blijf nog even liggen. Een uurtje later houdt het op. Een waterig zonnetje laat zich zien. We proberen dit landschap te verlaten over een landweg vol met diepe waterplassen, dan komen we in het glooiende dal met hier en daar een olijfboomgaard. Dit gebied is een habitat waar de roofvogels zich thuis voelen. Zwarte en rode wouwen komen hier dan ook veel voor. We rijden naar Ayerbe waar we een ontbijt bestellen in een café op de hoek van een straat. We bestellen een stevig ontbijt, brood, spek en eieren en een grand café.

Bewoners uit dit dorp komen ook naar hier voor hun ontbijt. Zij drinken geen koffie zoals wij, maar gaan meteen aan met water verdunde wijn. Hun ontbijt bestaat uit mierzoete cakejes en wat broodstengels.

Het dorpje Riglos is de startplaats voor vandaag. In de flanken van het gebergte zijn verschillende nesten van gieren. Als we langs de tegenover liggende helling naar boven klauteren kijken we zo in hun nest. De vogels laten zich van de wand vallen en duiken naar de diepte. Zodra ze thermiek waarnemen zweven ze moeiteloos weer hoger op. We zoeken een plaatsje op de helling en wachten tot ze dichterbij komen. Geruisloos zweven ze voor ons langs zonder maar een keer met hun vleugels te slaan. We kunnen haast hun vleugeltoppen aanraken. Een groot deel van de dag brengen we door met het observeren van de gieren. Als we in de verte dreigende wolken naderbij zien komen dalen we af. We waarschuwen twee rotsklimmers dat er weersverandering aankomt. Als ook zij de bui aan zien komen maken ze zich uit de voeten. Voor we het dorpje bereiken vallen de eerste druppels al. We schuilen in het enige café wat er is. De eigenaar tuurt met een verrekijker de toppen af om te zien of er geen klimmers in nood zijn. Even later komen de twee klimmers binnen die we gewaarschuwd hebben voor het slechte weer. Ze bedanken ons voor de waarschuwing en wijzen naar de piek waar de eigenaar ook naar kijkt. Daar hangen nog een paar groepen aan de touwen in de stromende regen. We informeren naar een camping. Een van de klimmers verteld dat er net buiten het dorp een camping is. Als het weer opklaart zoeken we de camping op en blijven nog een nacht.

De andere dag rijden we via Huesca richting Babastro. Rechts van de weg beginnen de uitlopers van de Monegros een deltagebied waar de slangenarend veel voorkomt. Na een tiental kilometers slaan we rechts af en verlaten de N-240. Smalle wegen tussen de graanvelden met typisch Spaans boeren dorpjes vormen een mooi decor. Hier en daar staat nog een eenzame oeroude boom in het landschap.

 

Gieren komen van ver naar hier om voedsel te zoeken. Ze cirkelen met tientallen over ons heen. Op verschillende plaatsen zijn, de zogeheten ‘Muladares’; waar boeren hun kadavers mogen dumpen om de aaseters van voedsel te voorzien. Voldoende voedsel zorgt ervoor dat de populatie aaseters jaarlijks een gevuld nest hebben. De populatie wordt geschat op 20.000 broedparen.

In 2007 hebben Europarlementsleden de boeren verboden om nog kadavers in de Spaanse Pyreneeën te mogen dumpen. Voedselgebrek voor aasetende roofvogels als vale gier, aasgier, lammergier, zwarte en rode wouw was de aanleiding dat honderden van deze vogels op zoek gingen naar voedsel. In hun wanhoopsdaad, zochten ze de wegen af naar platgereden egels of een dood konijn. Door gebrek aan voedsel werden ze tot in Nederland gezien.

De roofvogels, die uitsluitend aas eten, sterven in Spanje van de honger wegens het gebrek aan kadavers. Zeven jaar geleden waren er nog 200 Muladares in de omgeving van dorpen waar veehouders hun dode dieren konden achterlaten. De gieren ruimden ze op. Deze voerplaatsen, die vaak eeuwenoud zijn, zijn nu allemaal gesloten. De gevolgen zijn rampzalig. In het gebied rond de Riglos, in de Aragonese Pyreneeën, broedden vijf jaar geleden 92 paar vale gieren die 58 jongen grootbrachten. Dit jaar deed slechts 40 paar een broedpoging, zonder succes. Ze waren te zwak om eieren te leggen. Een andere broedkolonie, bij Guara, telde in 1999 nog 89 broedparen met 75 jongen. In het voorjaar van 2008 telde men amper 15 broedparen, zonder jongen. Voorbeelden die de ernst van de situatie illustreren.

Op de kaart ontdek ik het kanaal van de Rio Cinca. De functie van het kanaal is, grote steden zoals Zaragoza en Madrid van drinkwater te voorzien. Het water komt van de stuwmeren die weer gevoed worden door smeltwater uit de Pyreneeën.

In januari 2008 staat er een artikel in de krant dat Spanje een tekort aan drinkwater heeft. De stuwmeren die het smeltwater bufferen, raken uitgedroogd. Voor miljoenen mensen is het vanzelfsprekend dat er drinkwater uit de kraan komt. Maar de watermakers maken zich grote zorgen, volgens klimatologen is Spanje één van de landen die het zwaarst getroffen zal worden door de opwarming van de aarde. In heel Spanje is de toestand zorgelijk. Door te weinig sneeuwval aan de zuidkant van de Pyreneeën komt er ook minder smeltwater in de stuwmeren die de waterreserves moeten aanvullen. De bodem komt in zicht. Een dorpje, dat ooit is verdwenen door de komst van een stuwmeer laat zijn kerktoren, die jaren geleden onder water verdween, weer zien.

Het kanaal van Rio Cinca stroomt langs het dorpje Piracés. Een zandsteengebergte waar het kanaal onderlangs stroomt, doet me denken aan de Grand Canyon. Maar dan veel kleiner. Gewapend met de camera’s trekken we door het gebied. Aan de voet van het gebergte is de ruimte benut om olijfbomen te planten. Een smal zandpad slingert zich tussen de bomen tot aan de rotswand. De rotsen, gevormd door de natuur, zijn waren kunstwerkjes. Het lijkt wel of de rotsblokken elk moment van elkaar kunnen schuiven. We zoeken het hogerop en klauteren op de rand van het zandsteen gebergte. Duidelijk is te zien dat de rotsblokken zich van tijd tot tijd, door erosie verplaatsen. Het gebied geeft de indruk heel ver van de bewoonde wereld te zijn, terwijl het dorpje Piracé vlak bij is.

In het dorp hebben ooievaars hun nest op de kerktoren gemaakt. Twee jongen staan op het punt om uit te vliegen, zij wachten op de juiste windvlaag die ze mee het luchtruim inneemt. Het dorpje Piracé, wat in 2001 nog 106 inwoners had, ziet er uitgestorven uit.

We rijden naar een camping bij Rodellar, dat gelegen is aan de rand van het natuurpark Sierra de Guara.

Na een heerlijke douche gaan we de kantine in en genieten van een koud biertje.

De Sierra de Guara is het beste te vergelijken met de Grand Canyons. Alleen de vegetatie is rijker. Natuurlijk mag de flora & fauna niet vergeten worden, want zonder deze aankleding zou het gebied niet zo mooi zijn. In de Sierra de Guara kan je genieten van verschillende activiteiten die in vele opzichten met de cultuur van deze streek te maken hebben. De grillige rotsformaties en bizarre landschappen zorgen voor uitdagende activiteiten. Men kan zich uitleven in vele canyons en op de hoge klimrotsen. Het gebied staat bekend als de bakermat van de canyoningsport en met zijn ruim 80 canyons is het ook nog eens een van de geconcentreerde gebieden van Europa! Van eenvoudig wandelcanyons tot spectaculaire, verticale afdalingen. Ook mountainbike, quadrijden, paardrijden, zwemmen, klettersteigen en sportklimmen is hier mogelijk. Voor de meer rustige types onder ons zijn er schitterende wandelingen te maken door uitgestrekte velden en over smalle, steile bergpaden. Wilde geiten en gieren houden u gezelschap.

We staan vroeg op. Een halfuurtje later wandelen we langs de rivier op zoek naar de bijeneters. Zijn naam is duidelijk afkomstig van zijn voedselbron. Hij eet ook wel wespen en andere insecten. De bijeneter is immuun voor steken. Voor hij ze verorbert weet hij de angel te ontdoen door het lichaam van het insect tegen een tak af te wrijven. Je herkent de vogel aan zijn zeer wendbare vlucht en zijn felle kleuren. Blauw, wit, bruin en een gele hals. Zijn kleine kraaloogjes lijken achter een Zorro masker te zijn verscholen.

Als we ons plekje gevonden hebben langs de rivier zien we de bijeneters in een dode boom zitten. Het is een lust om deze vogels ijverig aan het werk te zien. Met hun snelle wendingen in de lucht zijn ze met de camera haast niet te volgen. Als ze voldoende voedsel hebben duiken ze zonder de randen van het nestgat te raken in hun hol in de stijlen zandwand van de rivier.

In de middag maken we een wandeling naar de Canyon van Masqun. De aanloop is niet echt goed gekozen. We beginnen al meteen met een pittige klim. Maar eenmaal op hoogte krijgen we het beloofde uitzicht in een kloof. Het is niet de kloof die we geplant hebben, dus lopen we de andere kant op. We volgen het pad dat ons op de Peña Grau brengt zo’n vierhonderd meter hogerop. De zon brand hevig en hier is geen enkele mogelijkheid om die te ontwijken. Als we afdalen richting Rodellar lopen we vanzelf de juiste kloof in.

Het wemelt hier van de rotsklimmers. Zij zijn verantwoordelijk voor de vele paadjes die nergens toe leiden. Regelmatig moeten we terug. Dan besluiten we de rivier maar te vervolgen. Zo nu en dan moeten we er zelfs doorheen. Hier waren we op voorbereid, we wisselen steeds van schoenen om het pad op de andere oever te kunnen bereiken. Verderop heeft het water zich onder de rivierbedding verborgen en laat zich over een grote afstand niet meer zien. Een echt pad volgen we niet. Het grootste deel lopen we door de droge rivierbedding. Natuurlijk gevormde rotsbruggen en pieken maken deze kloof heel bijzonder. Een gat in de rots lijkt op een dolfijn.

Na ongeveer zeven kilometer houden we het voor gezien. Met  een uurtje rust keren we terug. Dan horen we stemmen dichterbij komen. Ik ga een kijkje nemen. Uit een smalle kloof gevuld met water komt een groep klimmers van de andere kant. Ze lopen het water in en komen onze kant op. We besluiten om er ook doorheen te gaan om het vervolg van de kloof te verkennen. Terwijl we schoenen wisselen zien we de groep, gekleed in korte broek en klimuitrusting door het water gaan. Halfweg moeten ze zelfs een eind zwemmen. Dat houdt in dat het er dieper is dan we hadden verwacht.

We herzien onze plannen en kiezen ervoor om onze camera’s droog te houden.

Terug op de camping bestellen we een paar flinke pinten bier zodat er vannacht weer behoorlijk gesnurkt zal worden in het tentje van de Nederlanders.

Terwijl de tent in het ochtendzonnetje opdroogt gaan we nog een kijkje nemen aan de rivier. Daarna vertrekken we richting Morrano, een van de vele fotogenieke dorpjes in Aragon. We wandelen via Santa Cilia naar de Canyon del Formiga. Een wielewaal laat zich horen. Hij laat zich ook heel even zien. Het lijkt wel of hij ons uitnodigt hem te volgen.

Even later horen we stemmen onder in de kloof. Felgekleurde pakken steken af tussen de rotsen in de canyon. Je kunt onder begeleiding met een groep een canyon afdalen en het koude water trotseren. We naderen de grot. cuave deros Burros. Hier is ons keerpunt. Op de terugweg ontdekken we een bruggetje over een canyon. We weten bij het water onder in de kloof te komen. Schoenen uit en even proberen. Vanhier zie je alles in een ander perspectief.

Als een groep door het water nadert zie ik dat ze van flinke hoogten moeten afdalen. Dat doen ze door te springen in de diepte. Dit lijkt ons ook wel een uitdaging, wie weet!

We volgen de groep een klein stukje. Blootsvoets zoeken we de grote stenen op de bodem van de beek. Als we bij een watergeul komen die een vijftal meter naar beneden gaat houd het voor ons op. Wel maken we prachtige shots als de groep naar beneden gaat.

We komen uit aan de noordkant van de Tozal de Guara. Op de camping van Nocito zoeken we een plaatsje voor de tent. Al genietend van het uitzicht naar de top van de 2077 meter hoge Guara maken we plannen om er morgen heen te gaan.

Het is niet de gewoonte om laat te vertrekken, deze keer moesten we wachten op de bakker anders hadden we twee dagen niets te eten gehad. Rond half negen starten we onze wandeling naar de top van de Tozal de Guara. Zoals bekent zijn de wandelkaarten in Spanje niet zo best. Ze wijken nog als eens af van de werkelijkheid. Ook deze keer werden we daar mee geconfronteerd. Na een half uur zijn we het pad al bijster. We besluiten om naar de weg te gaan en bij het volgende dorp “Buenté de Nocito” een volgende poging te doen. Daar hebben we meer geluk. Een bewegwijzering brengt ons in de goede richting. Na en fikse klim over een pad, dat net zo goed een watergeul zou kunnen zijn, komen we op de weg naar de berghut. Ook weer zo’n typische Spaanse verschijning. De hut draagt een heel andere naam dan op de kaart vermeldt staat. We nemen een half uurtje rust voor we het laatste stuk naar de top beginnen. We komen al snel boven de boomgrens. Daarna gaat het pad langs de helling over op een kiezel pad dat alles behalve lekker loopt. We komen uit op de voortop “Punta Este”2026 meter.

Nu is het maar een klein eindje meer naar de top. Om 17.30 uur staan we boven. In een kluisje onder het topkruis ligt een boek waar ik een aantekening in maak.

Door het heldere weer kunnen we ver kijken. Aan de ene kant naar de Pyreneeën en aan de andere kant kijken we Spanje in zo ver ’t oog reikt.  De toppen van de Pyreneeën zijn nog bedekt met een laagje sneeuw, terwijl wij hier zowat wegbranden in de late middagzon. Even later zweven gieren rond de top. Ze zweven sierlijk over ons heen op zoek naar een kadaver. We blijven veel te lang op de top. De bedoeling was om via de andere zijde naar beneden te gaan. Dat zou ongeveer 3½ uur in beslag nemen. We zouden een stuk in het donker moeten afdalen. Een mogelijkheid voor overnachten is er niet tenzij in de open lucht. We kiezen voor de berghut waar we eerder gerust hebben. In iets meer dan een uur lopen we naar de hut. De schemering is al ingevallen.

Bezweten komen we bij de hut. Het is koud er koud. In een doos ligt gedroogd mos wat gebruik kan worden om de haard aan te maken. Er is brandhout aanwezig, ik maak meteen de haard aan. In een half uur drogen we de T-shirts en is het heerlijk warm binnen. We maken een kopje thee en peuzelen de resten van ons lunchpakket op. Als toetje verorberen we een grote plak pure chocolade. Een klein stukje bewaren we voor morgen ochtend. We moeten zuinig met water zijn zodat we morgen ochtend nog een kopje thee kunnen maken voor we vertrekken. Water is hier een probleem dat vind je haast nergens dus altijd zelf voldoende mee slepen.

Op verschillende plaatsen zijn onbemande hutten te vinden in Aragon. Bij de meesten ligt wel stookhout dat je kan gebruiken. Het is wel de bedoeling dat je het weer aanvult als dat mogelijk is. Nu is dat bij deze hut geen probleem. Hier zijn verschillende bomen waar we de dorre takken onder vandaan kunnen halen. Maar dat is niet overal zo. Als het hout een paar dagen binnen ligt is het weer bruikbaar. Ook plukken we een vierkante meter mos onder de bomen vandaan en leggen dat voor de haard te drogen. Zo kan een volgende daar weer gebruik van maken.

In de weekenden trekken de Spanjaarden massaal de bergen in. Vaak overnachten ze dan in de hutten. Ze slepen nogal wat drank mee naar boven. Dat is duidelijk te zien aan de lege flessen die buiten liggen opgestapeld.

Om 05.00 uur staan we op. Het is koud. Snel maken we thee en eten ons noodrantsoen op. Ik heb meestal een paar Hartkeks en een blikje leverpastei bij als noodrantsoen. Ook het restje chocolade moet er aan geloven.

In 3 uur lopen we naar de camping. Allereerst bestellen we koffie bij de eigenaar. Hij wil weten waar we vandaan komen. Als we uitleggen dat we gisteravond nog op de Tolas de Guara stonden en vannacht in de hut hebben geslapen, schiet hij weg. Even later komt hij terug met koffie, een mand brood en een bord met worst, gerookte ham en kaas. Het brood was iets aan de droge kant maar ik heb er toch heerlijk van genoten.

Dan laten we hem wat foto’s van de digitale camera zien. Hij ziet een foto van zijn camping en het restaurant die Chris van boven gemaakt heeft. Die zou hij graag willen hebben.

Hij roept zijn dochter erbij. Met haar hulp zetten we de foto op de computer van haar vader. De eigenaar vindt het allemaal geweldig. Chris maakt nog wat foto’s van de camping, het restaurant de eigenaar met zijn vrouw en natuurlijk zijn dochter. Alles moest op de computer.

In het dorpje maak ik nog wat opnamen. Het is ondertussen al middag voor we vertrekken. Een uur later komen we in Belsué. Een dorp waar we ooit de hop hebben gezien. Van hier volgen we een spoor naar “Salto de Roldan” via de kloof “Cerro Estillero”  een tocht van vier uur.

Bij aankomst beklimmen we de rots waarvan het laatste stukje met een ijzeren laddertje beklommen moet worden. Door de slechte staat van het laddertje vergt het enig kunst en vliegwerk om de statieven boven te krijgen. De resten van een ruïne zijn compleet overgroeid door struikgewas. Gelukkig wel een soort wat vele vlinders aantrekt. Rond de bouwval zien we tal van koning en koninginnepage’s . Het is een kunst om de vlinders te kunnen registreren maar met veel geduld lukt het toch. Ook worden we continue afgeleid door de vele gieren die links en rechts voorbij zweven. Je weet eigenlijk niet wat je eerst moet filmen. Ik draai een tape vol met gieren en vlinders en kan hier de twee aangeschafte telelenzen goed uitproberen. Ook ontdekken we nog en nest van een zwarte roodstaart.

Iets lager is een uitgesleten rand waar je, als je geen hoogtevrees hebt, de gieren nog beter kunt observeren. De dagjesmensen zijn nu vertrokken en we hebben de rots voor ons alleen.

Ondertussen verken ik de rotsrand waar ik de gieren zowel boven als onder heel goed kan waarnemen. Met wat geluk vliegen ze hier ook op ooghoogten. Om 21.15 houden we het voor gezien. We wachten tot het dorp in het dal verlicht is door het late avondzonnetje. Dit zonnetje kleur ook de rotsen rood op, een prachtig avondbeeld om af te sluiten. Als het bijna donker is rollen we het slaapmatje uit en spreiden de slaapzak achter de struiken. We genieten van de mooie sterrenhemel en een uitzicht over Spanje bij avondlicht.

Deze nacht slapen we beide goed. Die enkele keer dat ik wakker werd genoot ik van de sterrenhemel en doezel dan zachtjes weg.

Om 6.00 uur ontwaken en wachten op de zon. Chris gaat terug naar de bergrand om gieren te fotograferen. Ik besluit een kijkje te gaan nemen in het dal. Dat heb ik geweten. Het pad naar beneden was één doornstruikpad tot aan het water. Mijn benen waren behoorlijk geschandaliseerd en beneden hield het pad op. Ik waad een eind door de beek en trakteer me op een frisse wasbeurt. Als ik bij een visstek uitkom zie ik een pad naar boven, daar hoor ik mensen, zij zijn van een natuurvereniging. Zij zijn bezig de paden te verbreden met de heggenschaar. Nou dat is hier geen overbodige luxe. Dit pad wordt vaak gebruikt door sportvissers, die graag hun hengel uitwerpen in de beek hun verteld een van hen.

Tegen de middag zijn we weer terug bij de auto en vertrekken we noordelijker, naar het Nationaal park Ordesa.

Naarmate we vanuit het Spaanse binnenland het Nationaal Park Ordesa naderen, wordt het landschap ruiger en duidelijk groener. Het hooggebergte is indrukwekkend, met pieken van graniet die zich tegen de hemel aftekenen. In het bezoekerscentrum in Torla kan je informatie krijgen voor wandelingen in het natuurpark.

Vanaf 1 juli tot 1 oktober is het dal gesloten voor alle verkeer, met uitzondering van lijnbussen die elk kwartier vanuit Torla vertrekken. Voor drie euro (2005) neem je een retourtje.

We rijden voorbij Torla en slaan linksaf Valle de Bujaruelo in. Daar vinden we een camping. Als de tent is geplaats beginnen we een wandeling door Valle de Bujaruelo.

Verderop in de vallei is een weekendcamping. Deze door Spanjaarden druk bezochte camping is gelegen aan het einde van het dal. Vanhier vertrekken verschillende wandelpaden de bergen in. Het water in de rivier ziet er koud uit, toch zijn er mensen die er een duik nemen. We lopen via de andere kant van de rivier terug. Een mooie route met vele bloemen. Op de camping aangekomen maken we een stevige maaltijd zodat we er de komende twee dagen tegen kunnen.

We vertrekken om 19.45 uur. Vanuit de camping wandelen we naar de ingang van het Ordesapark. Daar proberen we een lift te krijgen van de bus naar de parkeerplaats, we mogen niet mee.

Om 21.30 komen we op de parkeerplaats aan en beginnen meteen aan de klim die ons ruim 600 meter hogerop moet brengen. Het pad gaat zigzag naar boven, we komen geen meter verder alleen maar hoger. Om 23.00 zijn we bij een schuilhutje”refugio y mirador de calcilarruego”. Als ik over de rand kijken zie ik nog steeds de verlichte parkeerplaats van Ordesa. Het schuilhutje biedt voldoende beschutting tegen de koude wind. De natte T-shirts worden opgehangen. De wind zal ze drogen. Ik val als een blok in slaap op de betonnen vloer van de hut.

Wakker worden is een pijnlijke aangelegenheid. Langzaam maar zeker probeer ik me te bewegen. Mijn botten zijn helemaal stijf van de klim van gisteravond en het slapen op de harde ondergrond heeft geen goed gedaan. Brood van de vorige dag is het ontbijt dat we met koud water wegspoelen. Rond 7.00 uur vertrekken we.

De route “Faja de Pelay”gaat tussen de schaarse bossen die opdeze hoogte te vinden zijn. Zo vroeg vertrekken geeft meer kans om gemzen te zien. We hebben er dan ook verschillende kunnen observeren. Na drie uur komen we bij de waterval “Cola de Caballo”. Hier nemen we een lange rustpauze voor we teruggaan gaan naar de parkeerplaats.

Om 14.15 uur komen we aan bij het restaurant waar we een stevig glas bier drinken. Natuurlijk wel eerst even geïnformeerd of we met de bus tot de ingang van het park mee konden rijden natuurlijk!

De andere morgen breken we op en verlaten de camping.

Weer thuis neem ik een lekkere douche en duik nog even een paar uurtje in een zacht-warm bed.


Cor Claassens  2008